Φ – Boek IV – Machbuïm (Amor Mimeticus IV)
מחבואים
(AMOR MIMETICVS IV) *
'
'...breng 'Alí,
die daar praat –
zie je dat
groepje dat terugkeert, Arabische
dagloners, net van de olijfpluk,
die knecht, dié daar –
dit briefje...?'
Daar
rent-ie.
Je leest het –
...Dagli occhi
azzurri...
Draai je om.'
—
“
... wat een joods
joch voor een boodschap brengt, 'Alí –
hoeveel
rijg je d'r, 'Alí, aan je snoer?
– 'Alí, je verschoont je toch
uit schroom
voor je bruid?!
...luister niet, laat ze...
Heb
je me nodig?
Ik kom...
Avi!”
—
' 'Alí!
Aan je verwant:
met de
groene
ogen, die
wandelt door de aanplant.
Verward
met je, lui paardje.
Je haar
streel ik zo graag als het gewassen
naar water ruikt en kroest; als het ruikt
naar olie, en sluik is, even graag;
maar het liefst
hier, waar je zonnevlecht
ligt, waar wezelvacht zacht daalt naar
je navelkuil, en lager –'
—
“Je mondhoeken:
hun plooi in de wang spiegelt de
plek waar van elk oog de amandel
ontglipt aan je saamgevouwen oogleden.
Oog-
-líppen, mond
léden, aan
het spreken, het zien.
Met een bespeekselde
duim strijk ik de slijmkorrels
uit je wimpers.
Mijn kus opent je
oogkelk, en je bloedrode iris
is je tong, op mijn tong.”
—
'Titelblad,
liefste, van het eerste der drie van
elk volk van het boek ben ik.
Sla open
en
lees.
Kâfir en
heiden en
goj
die ons raadsel niet begrijpen!
En
zegel op het derde der drie
jij, dat ik leg, dat ons verbond tevens
sluit.
Die onze regel ontgaat,
kâfir en
goj zijn ze, het niet snappen,
en
heiden, kâfir en heiden
en goj:
niet als wij.
Het eelt van je
voetzolen is gekloven, er nestelt
zich stuifzand, dat vijlt en brandt, in
de wond.
Ik hoor ze het hoevenspel
van je paard vergezellen; bijt je
je lippen open en öm?
Als een
verzengende geest van zout op de
verzenen is de zon op dit uur;
zó zijn het rijdier en zijn profeet
van de rots ontvoerd, van 'al-Quds, en
in een vurige koets weleer ook
Elia.
Zal ik ze zalven?'
—
“Bij
de Armeen of de Kopt, op donderdag...
Avi,
kom met me mee naar de
moskee. Eigenhandig gesp ik je
muilkorvende sandalen los: twee
slaven van voeten die ik bevrijd,
halen adem.
Kijk, met het witte
water ververs ik je, in je neusgaten,
lippen, ogen, gehoorgangen.
Sloegen geen preutse grijsaards ons
gade, de zo vertrouwde fontein
voldeed ik, ik deed ze vol.
Voor wie
puur is, is er geen puurder, geen puurst:
water is eenvoud, en je onlesbare
dorst ernaar doet de rest.
Arabisch!
dat jij spreekt
is me het liefst:
met de zachte g van een knaap die
nog niet is besneden.
Jou mijn verruiging
van je Hebreeuws,
dat ik leer –
want
elkanders geheimtaal
delen!
Voor elk van beide als sleuteltaal
van de ander de taal.
Het tederste,
liefste hoeft niet verzwegen.”
—
'De
parabool van de naad die onder
je doorwelft, past in mijn dijen hun
hyperbolische schaar.
Ontwikkelde
kegels, frons van het zadelkruis.
In pijnappel-ogen, dichte en
verre, in het cyclopische paar
navels de tranen, als van de echter
geachte.
Sterren en manen.
Lijfde de worteltaal maar die helft
bij zich in, haar wilde, vergeten
gebeente!
Ik ruik het vlies van de
sinaasappel die net is geschild,
de prik in je huid doet niezen.
Auf
Erden is geen verkieslijker vlees
vindbaar; geen fruitiger, waar mijn kiezen
zich liever inzetten, vaker,
meer in verliezen...'
—
“Toen ik je zag
op de tinnen –
boog je naar voren,
je heup op de brede borstwering:
vromen die aan de voet hun verlanglijsten
postten en baden zag je
niet:
mij
verwachtte je, keek naar de
in djellaba geklede
knecht uit,
die ík toen
ook zag:
voor
mij aanzag:
jou,
onze dubbelganger, en toen
je je omen
nú
je je omwendt
naar mij toe,
die hiér sta,
weet je dan
ook dat ik voor de zóveelste maal
op je toekom?, als
ik van
jou het
geklepper
hoor van je zolen op
de plaveien, je toelach, nader
– je lacht
de lach der herkenning
der
herkenning...
– Wie zijn we, Avi?
Iets
redelijkers dan rede, wannéér
komt het? Iets zinnelijkers dan
zin –
...en je voorhoofd legt op mijn sleutelbeen?”
—
—
—
'Wie is de derde, wie mag verijdelen
dat mijn brief je bereikt?'
—
“Bloed van de druif die ik op je borstvlak
verpletter, verft het geschikte
antwoord op elke.”
—
'Zoals het huisdier
de jongen weervindt, zijn huisdier
het kind'
—
“komt terecht wat jij me geboodschapt
hebt op een windtocht:”
—
'de mal
van je hand:'
—
“die ik druk, en liefkoos,
en lees.”
—
'Ik droomde dat anderen
onze samenspraak braken, pogend
met laf ommoffelde mokers'
—
“het
stel overtreders van de onschrapbare
wet
tot zwijgen te brengen.”
—
'Tanach, en Qur'ân – vergeef me – ben
jij voor me, en de Kopt, de Armeen – '
—
“van hun beider de blijdste!
Ben je;
voor mij. Het vers waarin staat dat
hij
aan de boezem des heren toeven
mocht
wees het.
Vrees niet!: ook dat vers.”
—
'Want
een zoon uit ons vlees te wekken, een
derde die uit de rib wordt geplukt'
—
“rechtstreeks”
—
'geen omweg'
—
“is wat de vroedvaders
afschrikt:”
—
'één van ons beiden?'
—
“voor de ander zijn zaad tot schoot;”
—
'alsof
goed met kwaad toen verward zou zijn'
—
“wordt het kwade met schuld van één van
ons:”
—
'tijg ons béiden aan, harteloze
engel'
—
“half vlees, half woorden; half
doder!”
—
'Zolang het levende woord
vlees in zich toelaat'
—
“en ons aan spraak
helpt,
heeft haat”
—
'jihâd en pogrom en
judaskus'
—
“– staat het niet in de passie
van Issa:”
—
'één van de – ?'
—
“beiden!:”
—
'tot afscheid'
—
“bewogen”
—
'“Neem dat, mijn
liefste, in de olijfgaard, van mij.'”
* vrij naar het thema van een film
met dezelfde titel
uit 1979, Machbuïm,
van de hand van Dan Wolman
op men pad gebracht door Michel Leclerc, waarvoor dank